Zoals altijd

Ik fietste door een donker bos, en de lucht voelde even alsof het een zomeravond was. En dat klónk gewoon als een verhaaltje. Dus daar dacht ik de laatste kilometers van mijn fietstocht over na, en toen kwam dit eruit:

De lucht voelt alsof het een zomeravond is, maar het is pas half februari. Gek, als je bedenkt dat er vorige week nog sneeuw lag. We fietsen door het donkere bos alsof we achterna gezeten worden. Op dat ene kraakje in zijn fiets na, is het stil. Mijn hart klopt als een bezetene in mijn keel en voor de zoveelste keer scheld ik mezelf de huid vol omdat ik geen conditie heb. Normaal gesproken zou ik nu mijn hand op zijn arm leggen. Dan zou hij een cynische opmerking over mijn gehijg maken en me vervolgens zonder klagen voorttrekken. Maar vandaag is niet normaal gesproken. Vandaag is alles behalve normaal gesproken. Ondanks de zachtheid die in de lucht, kruipt er een rilling over mijn rug. Ik haat dat nare gevoel dat tussen ons in hangt. Pas als de t-splitsing in zicht is, doorbreekt hij de stilte. ‘Christine…’ Er ontsnapt een zucht aan mijn lippen. ‘Ja?’ Maar hij praat niet verder. Als we bijna bij de splitsing zijn, gaan we langzamer fietsen, zoals altijd. En onder de lantaarnpaal staan we stil, zoals altijd. Zijn voet op het paaltje, ik leunend op mijn stuur. Zoals altijd. Zijn blik is gericht op zijn voorlamp, en hoe doordringend ik hem ook aan probeer te kijken, hij kijkt niet terug. Na een paar minuten zet ik rechtervoet behoedzaam op mijn trapper. ‘Ik ga.’ Mijn stem trilt een klein beetje. Hij knikt. Zijn ogen vangen een klein moment de mijne, en kijken dan weer terug naar waar ze waren. Ik til uit gewoonte mijn arm op om hem een knuffel te geven, maar laat die vervolgens weer op mijn stuur vallen. Dan begin ik te trappen. Ik voel zijn ogen in mijn rug, zoals altijd. Maar toch zo anders dan normaal gesproken.

Liefs,
Rianne

Advertenties

Dat witte shirt

De regen drupte genadeloos op haar blauwe uniform. Ze rilde, stak haar handen wat dieper in haar zakken. Dit deel van haar werk vond ze het ergst. Ze tuurde nog eens over de rand van de brug – niks te zien natuurlijk. Met een snelle blik over haar schouder zag ze dat haar collega Michiel haar wenkte. Maar ze negeerde hem. Ze moest en zou de vrouw vinden. Over niet al te lange tijd zouden de ramptoeristen en de cameraploegen arriveren, die zouden zich weinig aantrekken van de regen. Nog een stap verder, weer over de leuning kijken, weer niks te zien. Moedeloos werd ze er van. Het grijze water kolkte, maar het witte shirt van vrouw moest daar schril in afsteken. Waar was ze toch? Hoe ver kon ze afgedreven zijn in die luttele minuten die het haar team had gekost om bij de brug te komen? In de verte zag ze de lichtjes van de waterbrigade, en van over het land kwam een ambulance aanrijden. Ze voelde een hand op haar schouder. Lees verder

Rosa was stil

De takjes kraakten onder hun voeten terwijl ze door het bos liepen. Rosa was stil. Te stil. Mees werd er zenuwachtig van. Rosa was niet zo vaak stil. Ze sjokten nu al ongeveer een jaar lang elke dinsdagmiddag door het bos. Dan vertelde hij over zijn studie, en zij over haar vriend. Dan klaagden ze over hun ouders, of haalden ze herinneringen op. Hoeveel chaos er die week ook was geweest, hoe boos Rosa ook was omdat hij de badkamer weer te lang bezet hield. Hoe boos hij ook op haar was, omdat ze zijn sokken weer eens had gejat, op dinsdagmiddag was alles goed. Ze hadden de lente zien overgaan in de zomer, de zoete zomer in vallende blaadjes, en die kleurige herfst in bevroren takken. Nu rook het bos alweer naar lente. En al die seizoenen had Rosa gepraat. Nog nooit hadden ze zo stil naast elkaar over de bekende paadjes gelopen. ‘Roos?’ de stem van Mees sloeg over, hij schraapte zijn keel en begon opnieuw, ‘Roos? Is er iets?’ Rosa pakte zijn arm vast. ‘Niks,’ zuchtte ze, ‘niks, ik ben gewoon gelukkig met alles. Kijk dan hoe mooi die bomen, hoe blauw de lucht. Kijk hoeveel mooie verhalen we hebben.’ Ze zuchtte opnieuw. ‘Zó mooi!’
De takjes kraakten onder hun voeten terwijl ze doorliepen. Rosa was stil. Mees lachte. Rosa was niet zo vaak stil.
Eigenlijk best lekker dat ze even haar mond hield.

Liefs,
Rianne

Dit nooit meer

Soms, als ik mijn fantasie de vrije loop laat, dan komen er personages in mij op. Mensen die een eigen leven leiden, een eigen weg bewandelen. Woorden die ineens op papier staan:


Hij was altijd al goed geweest in doen alsof. In de brugklas, toen hij deed alsof hij Emma leuk vond, omdat zij hem nou eenmaal leuk vond en omdat zijn vrienden hem vertelden dat het stoer was om een vriendin te hebben. In de derde klas, toen hij thuis deed alsof hij twee keer in de week na school bij Tim zat, terwijl hij dan eigenlijk moest nablijven. Of in de vierde, toen hij deed alsof hij het niet erg vond dat zijn ouders gingen scheiden. Doen alsof maakte het leven een stukje makkelijker. Het leek wat emotie te schelen.  Maar op dit moment zat het anders in elkaar. Zijn hart klopte in zijn keel terwijl de rij mensen voor hen steeds korter werd. Feline kneep in zijn hand. ‘Leuk he?’ vroeg ze. Hij knikte ‘Jaha!’ en perste er een glimlachje uit. Lees verder

Kampeermens

Met dit heerlijke weer móét ik wel even throwbacken naar de zomervakantie…

Buiten liggen leek de meest logische oplossing. De ligstoel lag niet heel veel beter dan het lekke luchtbed, maar er was zuurstof en er snurkte tenministe niemand. Nadeel was het geluid van de wegrijdende auto’s en het nabije toiletgebouw. En het langzaam licht worden. Het was nog ner geen 6 uur, maar slapen zou zeker niet meer lukken. Daar had ze zichzelf ondertussen al van overtuigd. Ze baalde dat ze geen boek had meegenomen, nu ging het een lange tijd worden tot de rest wakker werd. Ze was geen kampeer mens. Dat was bij deze weer bewezen.

Toen de kou na verloop van tijd onder de ligstoel begon door te kruipen en haar maag tekenen van trek begon te vertonen, besloot ze gok te wagen. Voorzichtig opende ze de deur van de caravan, haar wakker geworden moeder negerend. Alles maakt geluid als mensen slapen. Alles. Het krakende folie, het geritsel van dat lekke luchtbed als je erbovenop staat… ze zuchtte en probeerde zo stil mogelijk haar spullen bij elkaar te rapen. Even later klom ze met een pak koekjes, een extra deken en een boek weer terug in de stoel. De ochtendlucht was zacht, het aantal toiletgangers nam af, evenals het aantal auto’s. Dat geluid had plaats gemaakt voor het gefluit van een aantal vroege vogels. Haar voeten werden weer warm, haar buik weer gevuld en eigenlijk was ze helemaal niet zo moe.

Misschien was kamperen toch zo gek nog niet.

Liefs, Rianne

Op weg naar huis

Soms, als ik mijn fantasie de vrije loop laat, dan komen er personages in mij op. Mensen die een eigen leven leiden, een eigen weg bewandelen. Woorden die ineens op papier staan:


Soms hoor ik ’s avonds laat jouw voetstappen nog in het grind, op weg naar huis. Door heel dat huis dwalen nog herinneringen aan jou. Jouw parfum in de badkamer, jouw foto’s aan de muur, en je bed, dat er nog steeds uitziet alsof je er straks weer in zult stappen. Soms betrap ik me erop dat ik een gesprek met je probeer te voeren. Ik tik met mijn ring op tafel, want dat vind jij altijd zo irritant.

Lees verder